“Als je mij vraagt hoe het ervoor staat met Werk aan Uitvoering, dan zeg ik: het glas is halfvol. En ik zie ook dat het langzaam voller wordt. Tegelijkertijd staan we nu op een kantelpunt. De taakstelling waar de overheid voor staat, wordt vaak alleen als een probleem gezien. Maar dit is misschien wel hét moment om echt iets te veranderen; sterker nog: misschien zelfs het enige moment waarop het kan.“

Reflectiegesprek uit de Voortgangsrapportage 2025 WaU

Sandor Gaastra, secretaris-generaal bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat

"Binnen onze EZK-organisatie praten we al snel over zeven tot tien procent aan bezuinigingen. Dat is geen beetje efficiency meer, maar een structurele verandering. Wat mij betreft ligt de kern bij vereenvoudiging. Met 2,5 miljard euro minder gaan we niet meer leveren wat er allemaal wordt gevraagd. Zo simpel is het. Dat betekent dus: minder doen of het eenvoudiger doen. Meer doen met minder is geen realistische optie.

Toch zie ik in het coalitieakkoord het woord vereenvoudiging nauwelijks terug, terwijl dat wel de logische consequentie is. Als je minder middelen hebt, moet je het simpeler maken. Anders knijp je alleen de capaciteit af en hol je de kwaliteit uit. Vereenvoudigen kan op verschillende manieren. Soms begint het heel praktisch. We hebben bijvoorbeeld tachtig subsidieregelingen en misschien kunnen we met twintig toe. Tegelijkertijd zien we dat maar een klein deel van het mkb gebruikmaakt van de regelingen die we hebben. Dan moet je je afvragen of het instrument nog wel logisch is ingericht. Daarnaast gaat het over beleid: minder uitzonderingen, minder detailregels. Soms vraagt dat om wetgeving aan te passen. Dat is ingewikkelder.

Verder moeten we oppassen dat we vereenvoudiging niet zo groot maken dat het onoverzichtelijk wordt. Een integrale stelselwijziging kan logisch lijken, maar als die politiek of maatschappelijk niet te dragen is, gebeurt er uiteindelijk niets. Soms kom je verder met een reeks kleinere, consequente veranderingen.

Navigeren tussen controle en vertrouwen

Een ander punt is de manier waarop we controle organiseren. Als overheid zijn we daar heel goed in geworden. Soms maken we regels voor de vijf procent die misbruik maakt. Maar de 95 procent die gewoon te goeder trouw is, heeft daar ook last van. Dat mechanisme zit diep in het systeem. Na een incident slaan we door naar meer controle. Daarna proberen we weer wat vertrouwen terug te brengen. De kunst is om goed te navigeren tussen controle en vertrouwen.

Bij sommige publieke dienstverleners zie je dat een aanzienlijk deel van de capaciteit wordt besteed aan controles op een relatief klein deel van de uitgaven, omdat we de rechtmatigheid tot in detail willen borgen. Dat leidt tot ingewikkelde regelingen en veel uitvoeringslast. Dan kom je vanzelf bij de vraag: hoeveel controle is eigenlijk proportioneel? Regelmatig moet je als overheid ook de rug recht houden en zeggen: de oplossing is niet om het systeem steeds verder ‘dicht te regelen’. Want hoe meer regels je toevoegt, hoe stroperiger het systeem wordt.

Niet in silo’s denken

De gewenste vereenvoudiging kun je niet in afzonderlijke silo’s oplossen. Als iedereen alleen in zijn eigen begrotingsposten snijdt, verdwijnen misschien de borrels en de bloemen, maar blijft de onderliggende complexiteit intact. De echte vraag is: welke taken voeren we nog uit, welke doen we anders en welke misschien niet meer?

We denken vaak in hokjes, maar het geld zit ook in hokjes. Middelen zijn vooraf aan een doel gekoppeld en mogen vaak nergens anders voor worden gebruikt. Daardoor kun je ze niet inzetten voor een gezamenlijk hoger doel, terwijl dat soms precies is wat nodig is. Daarom vind ik het belangrijk dat uitvoering, toezicht en beleid elkaar eerder en intensiever spreken.

Toen ik hier begon, heb ik de publieke dienstverleners nadrukkelijker in de bestuursraad betrokken. We praten niet alleen in abstracte termen over beleid, maar ook over de consequenties in de praktijk. Het helpt als uitvoeringsorganisaties en toezichthouders al vroeg kunnen aangeven wat bepaalde beleidskeuzes in de praktijk betekenen. Dan kun je dat gesprek voeren voordat besluiten worden genomen. Uitvoerbaarheid mag geen sluitpost zijn. Als wij dat gesprek niet voeren voordat de beslissing valt, lopen we achter de feiten aan, en dan zijn we weer bezig de schade te repareren in plaats van het systeem te verbeteren.

Houd de bedoeling centraal

Goed publiek leiderschap betekent voor mij dat je het grotere maatschappelijke doel voor ogen houdt. Daarom moet de bedoeling steeds opnieuw op tafel komen. Anders glijdt het gesprek al snel af naar technische processen, regelingen, geldstromen of politieke druk. Je moet je dus niet richten op je eigen organisatiebelang of begroting, maar op de vraag: wat is uiteindelijk goed voor mensen en bedrijven? Dat vraagt ook dat je elkaar aanspreekt. Hebben we deze regeling echt nodig? Kunnen mensen ook zonder? Wat verliezen we als we iets schrappen?

Mijn rol als secretaris-generaal zie ik daarin als een dubbele. Aan de ene kant houd ik mijn eigen organisatie en uitvoeringspartners een spiegel voor. Als iemand zegt dat er extra geld nodig is, dan is mijn eerste vraag: kun je met dezelfde middelen niet tot een beter maatschappelijk resultaat komen? Aan de andere kant spreek ik ook de politiek aan. Als je een taakstelling afspreekt, hoort daar ook bij dat je bereid bent te vereenvoudigen. Je kunt niet zeggen: we halen er miljarden af, maar houden het takenpakket en de regels precies hetzelfde. Dat is niet realistisch.

Het glas in 2031

Als ik vooruitkijk naar 2031, hoop ik dat het glas duidelijk voller is. Dat we zaken echt eenvoudiger hebben gemaakt voor mensen en bedrijven. Dat we regelingen hebben teruggebracht, processen hebben gestroomlijnd en misschien af en toe ook eerlijk hebben gezegd dat sommige taken niet meer bij de overheid horen.

Het glas kan ook leger worden. Namelijk als we de overheid wel kleiner maken, maar zonder te vereenvoudigen. Dan hebben we minder capaciteit, maar dezelfde complexiteit en dus een slechtere overheid. Mijn hoop is dat we de combinatie weten te maken: een kleinere én slagvaardiger overheid. En dat de politiek vereenvoudiging actief ondersteunt, bijvoorbeeld door structureel vereenvoudigingswetten goed te keuren. Zo creëer je een vast moment om steeds opnieuw te kijken wat eenvoudiger kan.

Werk aan Uitvoering helpt om dat gesprek te blijven voeren. Maar uiteindelijk moet het geen apart programma meer zijn. Dan moet het gewoon de manier zijn waarop we werken. Als we daar over vijf jaar staan, dan is het glas niet alleen voller; dan hebben we ook echt een eenvoudiger overheid.”